Het gemeentefonds heeft een wettelijke basis in de Financiële verhoudingswet. Het is een begrotingsfonds op de Rijksbegroting. Het Rijk bepaalt de omvang van het gemeentefonds in het normale begrotingsproces.
Omvang gemeentefonds
Het vervroegd invoeren van de bbp-systematiek in 2024 en de prijsbijstelling uit de Macro Economische Verkenningen (MEV) resulteren in een lager accres. Vanaf 2026 heeft het Rijk een korting op het gemeentefonds doorgevoerd, die bekend is geworden als het 'ravijn'. Deze verandering heeft een grote impact op de financiële slagkracht van gemeenten. We bereiden hier ons op voor door in 2025 te komen met ombuigingsvoorstellen voor de begroting 2026.
De omvang van het gemeentefonds verandert ook bij nieuwe taken en verantwoordelijkheden, of als taken komen te vervallen.
Opbouw gemeentefonds
De uitkering uit het gemeentefonds bestaat uit 3 soorten uitkeringen: algemene uitkering, integratie-uitkeringen en decentralisatie-uitkeringen. Voor Participatie ontvangt de gemeente een integratie-uitkering. De decentralisatie-uitkeringen bevatten uitkeringen voor onder andere toezicht en handhaving van provinciale taken, armoedebestrijding kinderen en uitvoeringskosten omgevingswet.
Specifieke Uitkeringen
Naast deze 3 vormen van algemene middelen ontvangt de gemeente zogenaamde specifieke uitkeringen (SPUK's). Deze worden verantwoord op het betreffende programma en zijn niet vrij inzetbaar. Bovendien wordt over deze middelen verantwoording afgelegd bij de jaarrekening.
Septembercirculaire 2024
Gemeenten ontvangen in principe op drie tijdstippen in het jaar informatie over de gemeentefondsuitkeringen: in mei op basis van de Voorjaarsnota, in september op basis van de Miljoenennota en in december, ter afronding van het lopende jaar, op basis van de Najaarsnota. De cijfers in deze begroting zijn gebaseerd op de septembercirculaire 2024 van het gemeentefonds. Hiermee volgen wij de in de vorige begroting opgenomen gedragslijn om de septembercirculaire te verwerken in de cijfers.